065

Medische collecties in vogelvlucht

Tiny Monquil
Een introductie op de medische collecties van de universiteiten van Leiden, Amsterdam, Utrecht en Groningen: aard, samenstelling, actueel beheer.

I. Inleiding
Van de ontwikkelingen van de medische wetenschap en de academische medische praktijk vinden we de sporen terug in de vorm van collecties.

We spreken van academisch erfgoed wanneer de objecten, documenten etc. afkomstig zijn uit de universitaire context en als zodanig bewaard worden. In geval van het medisch erfgoed komt daar nog de context van de academische ziekenhuizen bij.

Specifieke eigenschappen van academisch erfgoed zijn veelvormigheid en een wisselende waarde. Veelvormig, omdat zelden een verhaal door één object kan worden verteld. De academische praktijk laat zich pas kennen wanner we kijken naar het samenhangend geheel van brieven, instrumenten, archieven, preparaten, verslagen, fotomateriaal etc. etc.
Het tweede kenmerk van de wisselende waarde bestaat uit de dynamische betekenis van de academische collecties voor de toepassingen voor publiek, onderwijs, onderzoek en het archief van de wetenschap.

II. Medische collectievorming per periode.
1. Eerste periode ± 1550 – 1815

Uit de periode rond het ontstaan van de 4 genoemde universiteiten is niet veel bewaard gebleven. Het Anatomisch theater van Leiden bestaat alleen nog op prenten en in de reconstructie op museum Boerhaave. Een aantal boekwerken herinnert aan de revolutie op anatomisch gebied van deze periode.
Schitterende anatomische atlassen en de vele schilderijen van anatomische lessen die in de 17e eeuw gemaakt zijn, geven een indruk van de stijgende status en wijding van het anatomische bedrijf.

Op museaal gebied was dit het stadium van de rariteitenkabinetten. Sporen hiervan vinden we terug in de oudste delen van de huidige collecties.
Men ontwikkelde in de loop van de 17e en 18e eeuw steeds betere conserveringstechnieken voor het bewaren van preparaten. Lymfevaten werden opgespoten met kwik, en bloedvaten werden gevuld met rode vloeistof, wat de preparaten levensecht doet lijken. De technieken van balseming en vloeistofconservering werden tot grote hoogte ontwikkeld.
Frederik Ruysch (1685-1731 Amsterdam), ook wel genoemd ‘de doodskunstenaar’ produceerde een aantal kabinetten vol van deze preparaten met een soms meer allegorische dan wetenschappelijke inhoud. Een goed deel werd aangekocht door Peter de Grote en verblijft nog steeds in Sint Petersburg. Ook B.S. Albinus, een leerling van Ruysch, was een vroege zeer productieve anatoom- preparateur. Van zijn barokke stijl zijn nog steeds voorbeelden aanwezig in de collecties.

De anatomische collecties passeerden het stadium van rariteitenkabinetten en kregen als eerste functies onderwijs en onderzoek. Het werd gebruikelijk dat elke professor een collectie aanlegde, die na zijn dood dan vaak door de universiteit of hogeschool werd aangekocht.

Zo legden Jacob Hovius ( Amsterdam 1710-1786), Petrus Camper (Groningen 1722-1789), Eduard Sandifort (Leiden 1742-1814), Jan Bleuland (Utrecht 1756-1838), en Pieter de Riemer (Den Haag 1769-1831) elk hun anatomische kabinetten aan, goeddeels voor onderwijs maar toch ook voor het aanzien van de stand van de wetenschap. Ze vulden grote prestigieuze preparaatkasten, die soms nog intact aanwezig zijn.
De collecties humane preparaten werden aangevuld met zoölogische objecten (voor de ‘anatomia comparata’ of vergelijkende anatomie) en met objecten van was. Die kocht men tot ± 1800 van de Florentijnse experts maar later zijn ze ook in eigen land vervaardigd door de Utrechtse Petrus Koning, prosector (ofwel ‘voorsnijder’) naast Prof. Bleuland.

2. Tweede periode: 1815 – 1940

Het zgn. Organiek Besluit van Koning Willem I in 1815 veroorzaakte een nieuwe situatie. Dit besluit stelde onder meer normen voor de medische opleidingen en verbeterde de middelen. Zo werd bepaald dat elke universiteit afdoende kabinetten voor onderwijs moest hebben. Diverse aankopen en koninklijke schenkingen waren het gevolg.
De bekendste namen van de professoren uit deze periode zijn die van Sebald Justinus Brugmans (Franeker en Leiden,1763-1819) Andreas Bonn ( 1738-1810), Lodewijk Bolk( 1866-1930), Gerard Sandifort (1779-1848), G.C.B. Sueringar ( 1802-1874), W. Vrolik ( 1801-1869) en B. Franciscus Suerman (11783-1862). Hun collecties vormen vaak de basis van de huidige verzamelingen. Dit was ook de tijd waarin diverse voorname collectiecatalogi vervaardigd werden.

Ongeveer tegelijkertijd zette met grote vaart de verbreding en verdieping van het medisch bedrijf in. Modernere en minder kostbare onderwijsmiddelen voor grotere groepen studenten zijn uit deze periode bewaard gebleven.
De nog jonge pathologische anatomie en fysiologie lieten elk hun eigen objecten na. Ook ontstonden deelcollecties embryologie en teratologie, fysische antropologie, neuro-anatomie en tandheelkunde, etc.
Alle uitwaaierende specialismen leverden min of meer systematische collecties van hun begintijd op. Uit deze periode zijn onder meer collecties bewaard van F.C. Donders (1818-1898) en J.A.W. van Loon (1867-1940).
Een opvallende nieuwe objectvorm waren de producten van de medische fotografie.

3. Derde periode: 1940 – heden

Dit is de periode van zeer snelle ontwikkelingen van diagnostiek en therapie ( bijvoorbeeld door de pas ontwikkelde peniciline).
De objecten van de medische wetenschap en praktische geneeskunde zijn sinds de Tweede Wereldoorlog steeds lastiger te verzamelen aan de hand van de oude criteria van onderwijskabinetten en studieverzamelingen. Tot dan toe werd alles min of meer gebroederlijk vrij centraal naast elkaar bewaard en opgesteld. Nu echter bleken specialisaties, technische vernieuwing en versnippering lastiger te vatten in centrale collecties. Er kwamen meer archieven van preparaten ten behoeve van onderzoek. Los daarvan groeiden de onderwijscollecties met de modernste middelen. Respect voor de geschiedenis van het vak stond soms nog onder druk van de vernieuwingsdrang.

In de collecties gaat het steeds meer om lastig toegankelijke moderne apparatuur (‘black boxes’), bijvoorbeeld bij anesthesiologie en orgaanvervangende apparaten. Of om massaproducten en wegwerpartikelen, om digitale weergaven van diagnostiek en onderzoek.
Nieuwe verzamelcriteria zouden rekening moeten houden met de kenmerken van de moderne tijd:
Toenemende invloed van de staat en de verzekeraars. Effecten van de preventieve geneeskunde en stijgende levensduur.
Mondialisering (WHO) en ingewikkelde netwerken van samenwerking in onderzoek.
Feminisering van de beroepsgroep.

Het is belangrijk voorop te stellen wat het verzameldoel is. Willen we deze ontwikkelingen later kunnen staven aan de hand van bewaarde informatie en collecties en ze in verband houden met de roemruchte voorgangers? De speciale kenmerken van academisch erfgoed (veelvormigheid en wisselende waarde) kunnen een leidraad zijn bij het verzamelen.

III. Actueel beheer van de medische academische collecties
De collecties worden op dit moment verzameld en beheerd binnen de academische ziekenhuizen en bij facultaire en centrale universiteitsmusea.
Andere onderdelen van het medisch erfgoed worden beheerd in de bijzondere collecties van de universiteitsbibliotheken en in diverse archieven. Ook zijn er de instituten met een nationale verzamel- en publiekstaak zoals Naturalis en Boerhaave, die onderdelen van het academisch erfgoed bewaren binnen het bredere kader van nationaal wetenschappelijk erfgoed en de (inter-)nationale wetenschapsgeschiedenis.

In de loop van de 20 eeuw waren conserverings- en registratieachterstanden ontstaan in de medische academische collecties. De snelle ontwikkeling van het vakgebied en de onstuimige groei van de universiteiten waren daarin factoren.

Met name collecties uit de periode na 1940 zijn vaak min of meer toevallig bewaard, na in ongebruik te zijn geraakt op hun eerste functie in onderwijs of onderzoek. Veel is ook verdwenen in de dynamiek van de periode. Naast de enorme moderne ontwikkelingen leken bijvoorbeeld objecten van verdwenen ziektebeelden van geringe relevantie. De nieuwe beheersargumenten op gronden van heronderzoek (waarbij bijvoorbeeld naar DNA gekeken wordt), geschiedenis van de professie, betrokkenheid van het publiek bij wetenschappelijke ontwikkelingen leefden nog nauwelijks. Daardoor kon ook veel objectinformatie teloor gaan, wat gebruik van de collecties weer in de weg stond.

Collectieprojecten (1998 -2005)

In 1998 stelde het ministerie van OC en W geld beschikbaar voor het opschonen van het academisch erfgoed.
Het medisch academisch erfgoed van de Universiteit van Leiden / LUMC, van Rijksuniversiteit Groningen / UMCG, Universiteit van Amsterdam / AMC en van de Universiteit Utrecht / UMC Utrecht is in de jaren 1999 – 2005 beter zichtbaar geworden door een grote gezamenlijke operatie van opschoning en conservering van de collecties.
In totaal is minimaal 40 % van de collecties herbestemd of afgestoten. Gronden voor afstoten waren reddeloze conditie, ontbreken van informatie, en doublures. Bij herbestemming ging het om instellingen met een gepastere context en ontsluitingsmogelijkheid zoals het Nationaal Museum voor de Verpleging en Verzorging, Koninklijk Instituut voor de Tropen, en universiteitsbibliotheken.
Van de overgebleven collecties is de kwaliteit en conditie zeer verbeterd. Een gegroeid inzicht in aard en waarde van de collecties heeft de toepasbaarheid bevorderd.

Profielen en modern verzamelen

Na de eerste inventarisatie van de collecties en de knelpunten inzake conditie (rapport ‘Medische Collecties Ontleed’ ICN, Frank Bergevoet, 2000) zijn bestaande en gewenste collectieprofielen per beherende instelling geformuleerd. De samenstelling van de diverse collecties werd naast elkaar gehouden zodat zwaartepunten en overlappingen naar boven kwamen.

In Leiden en Amsterdam bleken de grootste oude morfologie-collecties aanwezig op gebied van algemene- en pathologische anatomie. Leiden heeft bovendien een specialisatie in (fysische-) antropologie. Men stootte daar de instrumentencollecties af naar Museum Boerhaave.
Amsterdam heeft een relatief groot onderdeel vergelijkende anatomie, wegens de focus van vader en zoon Vrolik, en een specialisme op gebied van anesthesiologie.
In Groningen en Utrecht zijn ‘all round’-collecties met in Utrecht bovendien een nationale verzameltaak op gebieden van tandheelkunde en oogheelkunde. Groningen heeft weer een nadruk op gynaecologie en verloskunde.
Bij het selecteren en conserveren is rekening gehouden met de sterke kanten en specialisaties van elke collectie. Afstemming en groeiende inhoudelijke samenhang was het gevolg.

De op www.medischerfgoed.nl gepresenteerde ± 140 collecties geven nu samen een goed beeld van de geschiedenis van het medisch academisch bedrijf in Nederland. Het zal de basis zijn voor verdere samenwerking en contact met het publiek.

terug