vesaliusKoning_Willem_I

Een introductie in de geschiedenis van de medische theorie en praktijk

Tiny Monquil
De geschiedenis van de medische collecties aan de vier oudste universiteiten van Nederland staat met één been in de algemene geschiedenis van de medische wetenschap en met het andere in de geschiedenis van de universiteiten en academische ziekenhuizen in Nederland. Aanvankelijk liepen deze twee ontwikkelingen niet gelijk op.

Tot de Verlichting ontwikkelden de medische wetenschappers vooral theorieën en ontwierpen hoogstens diagnoses. Daarnaast waren de chirurgijns een gilde van praktiserende geneesheren en niet academisch geschoold. Zij kregen hun opleiding vooral in de praktijk. Met beperkte middelen probeerden ze de zieke mens bij te staan.
Pas langzaam groeide de medische wetenschap uit tot een samenhangend complex van zowel een onderzoekende als een praktische en onderwijzende discipline.

De academische medische wetenschappers (doctores) hielden zich tot einde 16e eeuw vooral bezig met de erfenis van hun klassieke voorgangers zoals Hyppocrates, Galenus, en Vesalius.
Zo werd de focus van de Europese medische wetenschap lange tijd bepaald door de humorenleer waarin de gezondheid afhangt van de verhouding tussen de 4 lichaamssappen ( de zgn. humoren: bloed, gele gal, zwarte gal en slijm) en de verklaring van het leven met de werking van de 3 geesten (‘animalis, vitalis en naturalis’). Ook waren er nog de richtsnoeren van klassieke Arabische leerstellingen plus de christelijke kijk op het lichaam als tempel Gods.

Andreas Vesalius (1514-1564 Padua) droeg met zijn anatomische tekeningen gemaakt naar secties veel bij aan nieuwe kennis van het menselijk lichaam. Hij inspireerde wasmodelleurs van de Florentijnse academie tot 3d representaties. Vanaf de Verlichting zocht men steeds minder Gods evenbeeld in de mens en steeds meer de werking van de natuur.
Door de grote precisie waarmee Vesalius en zijn opvolgers te werk zijn gegaan was een belangrijk deel van de (macro-) anatomie al in de 17 eeuw bekend. De nadruk lag nog op het perfecte.

Het revolutionaire werk van Vesalius werd op de jonge universiteiten van de Nederlanden snel geïntroduceerd. Na de Spaanse overheersing werd in 1575 de Leidse academie opgericht
De eerste hoogleraar hier, Pieter Pauw (1536-1599) zorgde voor de oprichting van het eerste Theatrum Anatomicum van Nederland (1597). Zijn lessen werden gevolgd door chirurgijns die van de vernieuwende Pauw in de Nederlandse taal onderricht kregen in plaats van in het gebruikelijke Latijn. In die zelfde tijd werden op traditioneler academies zoals te Parijs de chirurgijns nog buiten de universiteit gehouden.

In de loop van de 17e eeuw is de gestegen status van de medische specialisatie te zien aan de schilderijen van anatomische lessen en de rijke uitgaven van anatomische atlassen.

Na 1800 kwamen de eerste grenzen van het onderzoek naar vorm en bouw van het lichaam in zicht en richtte het medisch onderzoeksgebied zich meer en meer op levensprocessen (fysiologie). William Harvey (Engeland 1578-1657) had al een belangrijke stap gezet toen hij de werking van de grote bloedsomloop ontdekte. Malpigi (1628-1694) voegde daar de kleine bloedsomloop aan toe.

Door de uitvinding van de microscoop door van Leeuwenhoek (Delft, 1632-1723) en latere perfectionering van dit instrument kon het medisch onderzoeksveld zich verbreden en verdiepen.

Xavier Bichat (1771-1802, Parijs) stelde dat het samenspel van de krachten die weerstand boden aan de dood essentieel was voor het lichaam en bestudeerde de eigenschappen van weefsels zonder zich verder veel om structuur te bekommeren. Zo introduceerde hij het begrip slijmvlies aan de hand van zijn specifieke werking. Voor Bichat was de vezel nog de kleinste eenheid in het lichaam.
In 1858 kon men dat dankzij verbeterde microscopen bijstellen naar celniveau.

Na 1823 werd middels de door Willem I ingestelde ‘klinische scholen’ een broodnodige inhaalslag georganiseerd op de capaciteit en kwaliteit van de praktische medische scholing. De medici ‘nieuwe stijl’ werden geïnstrueerd met moderne middelen zoals wandplaten en in serie geproduceerde modellen. Een bekend voorbeeld zijn de zgn. Auzouxmodellen uit Frankrijk. Het belang van de maatschappelijke taak van de jonge artsen en vroedvrouwen had de puur academische focus ingehaald.

In dezelfde periode begint men systematisch ziektebeelden en de bevindingen bij lijkopeningen te koppelen. Nadat eind 18e eeuw al geconstateerd was dat organen niet afzonderlijk ziek zijn, ontstaat er meer en meer onderzoek naar weefselpathologie. De Duitse patholoog Rudolf Virchow (1821-1902) wordt gezien als de grondlegger van de pathologie. Tegen het einde van de 19e eeuw kunnen we spreken van een pathologische anatomie naast de algemene.

Sinds Claude Bernard en F.C. Donders werden aparte laboratoria ingesteld voor de fysiologie. De experimentele fysiologie ging lichaamsprocessen bestuderen en meten met zelfregistrerende en gestandaardiseerde instrumenten. Het interpreteren van de meetgegevens werd steeds meer een vak apart.

Vanaf deze periode volgt een snelle uitwaaiering van het medische vak in afzonderlijke disciplines. Enerzijds splitste de anatomie zich op in deelgebieden (zoals de Keel- Neus- Oren-specialisatie, tandheelkunde, gynaecologie, cardiologie etc etc. )

Embryologie en de leer van de aangeboren afwijkingen (teratologie) werden mogelijk door verbeterde microtechniek. Sterk vergrote reconstructies van embryonale ontwikkelingstadia waren een onderdeel van de weefselleer of histologie.

Naast deze deelgebieden ontwikkelde ook de heelkunde met haar ondersteunende disciplines zich in razend tempo.
Dankzij narcose en antisepsis nam de chirurgie een grote vlucht. Men had hier belang bij uitgebreide kennis van de samenhang der organen en structuren.
De in 1900 ontdekte röntgentechniek kwam hieraan tegemoet, vooral sinds de techniek van het gebruik van contrastvloeistof werd verfijnd.
Later in de 20e eeuw volgden de mogelijkheden van de echografie en andere digitale technieken.
Na de Tweede Wereldoorlog zien we ook de opkomst van de orgaanvervangende apparatuur.

Het onderwijs in de geneeskunde volgde in de 19e en 20e eeuw de snelle ontwikkelingen op de voet. Het centrum van medisch academisch onderwijs verschoof daarbij langzamerhand van de universitaire faculteiten naar de academische ziekenhuizen. Daarbij kwam de nadruk meer en meer te liggen op de klinische anatomie.

De tendensen van specialisatie, samenwerking in interdisciplinaire organisatie leiden in de 20e eeuw tot tal van gespecialiseerde onderzoeksinstituten. Soms op plaatselijk niveau (bv tussen universiteiten en academische medische centra) en soms op nationaal niveau, zoals de Hersenstichting en het Nederlands Kanker Instituut, en ook steeds vaker op internationaal niveau. In deze nieuwe organisatievormen is de ontwikkeling van de medische wetenschap steeds lastiger in zijn geheel te overzien.

terug