Geschiedenis van het tandheelkundig roterend instrumentarium
Daan Masseur en Anna Zatorska
De studenten Daan Masseur en Anna Zatorska hebben in het derde jaar van hun studie tandheelkunde aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) onderzoek gedaan naar de geschiedenis van het roterend boorinstrumentarium. In de scriptie die uit dit onderzoek voortkwam beschrijven zij op welke manier en voor welk soort behandelingen in de loop der tijd verschillende roterende instrumenten gebruikt werden door de practicus. Reina de Raat, conservator medische collecties van het Universiteitsmuseum heeft de scriptie begeleid. Twee keer per jaar geeft zij aan studenten van ACTA het college 'Geschiedenis van de tandheelkunde'.
Inleiding
Restauratieve tandheelkunde is al generaties lang een groot onderdeel van de tandheelkunde in Nederland. In de klassieke oudheid werden er al met behulp van boren tandheelkundige behandelingen uitgevoerd. De restauratieve tandheelkunde werd toen op veel kleinere schaal uitgeoefend, onder andere door minder kennis van de tandheelkunde en de technische mogelijkheden.
In de 18e eeuw ging de technische vooruitgang snel en ontstond het beroep van tandarts. Voordien werd er veel geëxtraheerd en werd er weinig restauratief behandeld. In 1876 is het beroep van tandmeester vastgelegd en in 1913 is dat veranderd in het beroep tandarts. In deze scriptie zal er verder gesproken worden over practicus.
Voor de eerste helft van de 19e eeuw waren er weinig communicatiemiddelen, waardoor ontwikkeling niet gedeeld werd. Soms kon een uitvinding door de practicus, die deze ontwikkeld had, zelf jaren worden gebruikt zonder dat iemand anders daar van af wist. Veel later kwam een dergelijke uitvinding dan pas op de markt.
De aanleiding om in samenwerking met ACTA een onderzoek te doen naar de ontwikkeling van het roterend instrumentarium, is dat daarover weinig bekend is in het Universiteitsmuseum Utrecht. Met dit onderzoek willen wij een aanzet zijn voor nader onderzoek naar de ontwikkeling van de tandheelkunde.
Het doel van dit onderzoek is om de verschillende ontwikkelingen van roterende instrumenten te inventariseren en de mogelijkheden van deze instrumenten te beschrijven.
Op welke manier en voor welk soort behandelingen werden de in de loop van de tijd veranderende roterende instrumenten gebruikt door de practicus?
Eerst zullen wij een beschrijving geven van de methodes, die wij toepasten om tot een beantwoording te komen van onze vraagstelling. Vervolgens beschrijven wij onze bevindingen, waarin wij onder andere de instrumenten in chronologische volgorde plaatsen en per instrument een beschrijving geven. Daarna bespreken wij de problematiek, die wij gedurende dit onderzoek tegenkwamen en de conclusie van onze bevindingen.
Dit onderzoek is een historisch onderzoek en daarom is dit exploratief en kwalitatief van aard.
Materiaal en Methode
Om praktische redenen hebben wij ons toegelegd op informatie uit Nederlands-, Engels- en Duitstalige bronnen. Wij zullen de methoden hieronder kort beschrijven.
- Literatuuronderzoek: het onderzoeken van de literatuur van het roterend instrumentarium hebben wij in de universiteitsbibliotheken van de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Utrecht gedaan. We hebben ons vooral gericht op de restauratieve tandheelkunde van voor 1930, omdat toen met name nog veel werd gewerkt met niet elektrisch aangedreven instrumentarium, waarover nog het minst bekend is.
- Museumonderzoek: het bekijken en bestuderen van historische objecten van de tandheelkunde, hebben wij in het Universiteitsmuseum Utrecht gedaan. Het museum beschikt naar eigen zeggen over een grote tandheelkundige collectie, waaronder roterend instrumentarium. Ook heeft zij bijna alle jaargangen van het ‘Tijdschrift voor Tandheelkunde’. Bovendien beschikt het museum over een uitgebreide privé-verzameling op het gebied van tandheelkunde, de Kalman Klein collectie.
- Extern onderzoek: om informatie over de ontwikkeling van tandheelkundige materialen te verkrijgen bezochten wij ‘Dental Union’ te Nieuwegein, een van de grootste distributeurs van tandheelkundige materialen. Door Dental Union werden wij verwezen naar ‘Gebr. Brasseler’ te Lemgo, Duitsland. Dat is een fabriek voor o.a. tandheelkundige boren, die al ruim 80 jaar bestaat.
- Interview: het voeren van interviews had als doel informatie te verkrijgen van tandartsen, die nog met ouder instrumentarium dan de thans gangbare airotor en de elektromotor hebben gewerkt. Bij de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT) hebben wij een lijst opgevraagd van leden van de NMT die voor 1926 waren geboren.
Bevindingen
Hieronder zullen wij eerst per categorie, zoals bij de Materiaal en Methode gebruikt, onze bevindingen beschrijven. Vervolgens worden de boormachines apart, in chronologische volgorde besproken.
- Literatuuronderzoek: uit ons literatuuronderzoek blijkt dat er relatief weinig te vinden is over de geschiedenis van roterend instrumentarium. Er zijn veel boeken en artikelen over tandheelkunde, maar het gedeelte dat voor ons van belang was, werd vaak te beknopt beschreven of helemaal buiten beschouwing gelaten. De technische aspecten van het instrumentarium zijn ook niet altijd duidelijk beschreven.
In de jaren 60 heeft de airotor zijn intrede gemaakt en daarmee de elektromotor qua snelheid, gewicht en koeling voorbij gestreefd. In die periode is er onderzoek gedaan naar de airotor in vergelijking met de elektromotor (1, 2, 4, 13). Het bleek toen dat de airotor op drie gebieden betere resultaten boekte dan de elektromotor, namelijk snelheid, gewicht van het hoekstuk met aanvoerslang en de koeling. Daarmee werd het gebruiksvriendelijker. Nadelen van de airotor zijn het hardere geluid en geen continue snelheid. Intussen heeft de elektromotor een ontwikkeling doorgemaakt. Het rode hoekstuk kan op dit moment een snelheid bereiken van 200.000 rpm. en is ongeveer even zwaar als de airotor. Ook is er een goede koeling in het hoekstuk ingebouwd. Hiermee zijn de grote voordelen van de airotor t.o.v. de elektromotor weggevallen. De elektromotor heeft verder als groot voordeel dat deze een continue snelheid heeft en minder geluid produceert. Bovendien is het onderhoud van de elektromotor gemakkelijker. Op dit moment zijn er geen onderzoeken naar de huidige situatie van de airotor versus de elektromotor bekend. Het verdient aanbeveling daar een onderzoek naar te starten. - Museumonderzoek: in het universiteitsmuseum te Utrecht is er qua tandheelkunde een kleine selectie tentoongesteld. Het merendeel van de collectie wordt bewaard in het depot van het museum. In het depot bevinden zich verschillende objecten en de bijzondere collectie van Kalman Klein. In het depot is niet van ieder roterend instrument van onze tijdbalk een exemplaar aanwezig. De volgende objecten konden wij daar bekijken voor ons onderzoek: Fiedelboor, Trapboor, Drill-stocks, Elektromotor en de Airotor. Er zijn wel afbeeldingen van de ontbrekende boormachines beschikbaar. Ook de boekencollectie van het museum en de jaargangen van het ‘Tijdschrift voor Tandheelkunde’ hebben wij bekeken.
- Extern onderzoek: om meer informatie te krijgen van de instrumenten, hebben wij geprobeerd contact te leggen met een van de grootste producenten. Ritter is een oude en bekende naam qua productie van tandheelkundige apparatuur. Wij hebben om informatie gevraagd, maar kregen daar geen reactie op. Via het Internet hebben wij contact gelegd met het ‘Science Museum’ te Londen. Zij hadden op hun website foto’s van enkele tandheelkundige instrumenten, waaronder de ‘erado’ van Harrington. Dat voegde niets toe.
Bij Dental Union werd ons verteld dat dit bedrijf al lange tijd geen eigen depot meer heeft, wel is er actueel instrumentaria beschikbaar. Wij werden verwezen naar de fabriek ‘Gebr. Brasseler’ te Lemgo en die hebben wij bezocht. De fabriek is in 1923 opgericht. De fabriek bezat een kleine collectie van tandheelkundige materialen, maar in 1943 werd dat verwoest door de bombardementen van de geallieerden. De fabriek heeft nog promotiemateriaal voor boortjes en andere opzetstukken voor in de hoekstukken uit de periode van de oprichting. Ook hebben wij de hoeveelheid verschillende opzetstukken kunnen zien, dat er vroeger was in vergelijking met tegenwoordig. Hieruit kwam duidelijk naar voren dat de hardmetalen boortjes in principe niet veranderd zijn in de loop der jaren. Er is wel een duidelijke ontwikkeling waarneembaar in diversiteit en ander soort materialen, zoals diamantfineerboren.
Wij bevelen daarover een nader onderzoek aan.
- Interviews: van de NMT hebben wij een lijst met 160 namen van tandartsen, die voor 1926 zijn geboren, gekregen. Daaruit hebben wij enkele toonaangevende namen geselecteerd, waaronder vijf emeriti. Deze personen hebben wij telefonisch benaderd met enkele vragen omtrent ons onderzoek. Wij spraken met drie emeriti en twee tandartsen. Deze personen zeiden niets meer te kunnen zeggen over het instrumentarium, dat zij zelf hebben gebruikt voor de introductie van de airotor, dan dat het langzamer ging dan tegenwoordig. Hun aandacht ging uit naar de behandeling en niet naar de technische kant van het instrumentarium. Aangezien dit geen toegevoegde waarde heeft, hebben wij ervan afgezien de andere tandartsen en emeriti te benaderen.
Hieronder bespreken wij per instrument de werking en mogelijkheden
daarvan. De instrumenten komen in dezelfde volgorde aan bod als in de
tijdbalk (zie PDF).
- Verschillende boren uit de tijd van Hippocrates (afbeelding 1) Grote, door snaar aangedreven boren. Het is niet duidelijk of deze werden gebruikt voor tandheelkundige behandelingen of alleen voor skeletale preparaties en techniekwerk. Bij het bestuderen van de afbeeldingen, lijkt het duidelijk dat dit instrument niet in de mond werd gebruikt. Technische details worden niet besproken in de literatuur. Wel is op de afbeeldingen duidelijk te zien dat zij verschillende manieren van aandrijving hebben. Zelf interpreteren wij aan de hand van de afbeeldingen twee mogelijke technische details. De instrumenten hebben een vliegwiel, waardoor er langer energie beschikbaar is. De middelste heeft bij het afdraaien zoveel energie dat hij zichzelf weer kan opdraaien.
- Fiedelboor van Pierre Fauchard, 1728 (afbeelding 2) In het boek “Le Chirurgien-Dentiste” (1728) beschrijft Pierre Fauchard het gebruik van de fiedelboor. De naam van deze boor is afkomstig van de viool (Fiedel(D)) door de gelijkenis van de aandrijfboog van deze boor met de strijkstok. Deze fiedelboor werd niet in de mond gebruikt, maar uitsluitend voor tandtechnische doeleinden. Wel heeft deze fiedelboor er toe geleid dat anderen op deze techniek voortborduurden. Dit resulteerde in drie nieuwe ontwerpen: de Porte Ecarissoir van Jourdain (afbeelding 3), de Porte-Forêt van Maury (afbeelding 7) en de boormachine van Linderer (afbeelding 6). In het mechanisme van de snaarwieltjes, die worden aangedreven door de snaar, zou een mogelijkheid moeten kunnen zitten om ervoor te kunnen zorgen dat het kan buigen zodat je de boor in verschillende richtingen kan gebruiken. Door de rekbaarheid en vervormbaarheid van de snaar kan de boor ook in verschillende richtingen worden gebruikt.
- Porte Ecarissoir van Jourdain, begin 18e eeuw (afbeelding 3) Deze boor werd bedacht door Jourdain en werd door Fauchard beschreven. Het mechanisme zit tussen twee platen en is vrij eenvoudig. Aan de kopse kant zit een slinger waarmee een metalen staaf werd aangedreven met aan het uiteinde een tandwieltje. Dit wieltje drijft een volgend wieltje aan, waaraan in het midden een boortje vastzit. Aan de zelfde kant als het boortje zit een ring voor een vinger voor houvast. Met deze boor kon men geïnfecteerd dentine excaveren.
- Trapboor van John Greenwood, 1790 (afbeelding 4) John Greenwood was een practicus in New York. Zijn zoon Isaac John Greenwood schreef rond 1860 aan Jonathan Taft, een practicus in Amerika, het volgende: “My father was the first to use the ‘foot-drill’ and he made it himself from an old spinningwheel of my grandmother’s; and, since his death, I myself used it, the same one, altogether in my practice for twenty years, and I have it yet. I never had seen one before, and I know the hand bow-drill was always used before...” (6). Dit is een mooi voorbeeld van een uitvinding, die lange tijd niet bij anderen bekend was. Maar zodra deze bekendheid kreeg, kwam er vraag naar. De heer Morrison vroeg rond 1871 patent aan op de trapboor. En rond 1872 werd die in productie gebracht. De trapboor kon 2.000 toeren per minuut bereiken. Hoewel de trapboor beter te gebruiken was dan de handinstrumentaria, had deze als nadeel dat het tot vermoeiing van de practicus leidt en daarmee tot vermindering van de nauwkeurigheid van de practicus. Toch werd dit instrument tot ongeveer halverwege in de 20e eeuw gebruikt. In de loop van de jaren zijn er enkele verschillende typen ontwikkeld. Met name op het gebied van de verbinding van de snaar naar het hoekstuk. De technische details van de trapboor zijn redelijk eenvoudig. Het wiel wordt door een trapbeweging in werking gesteld en dat wiel laat een doorlopende snaar draaien. Deze beweging wordt omgezet naar de tandwieltjes in het hoekstuk en hierdoor kon de boor draaien. Dit was de eerste mechanische boor, waarbij de practicus één hand vrij had voor andere handelingen.
- Wortelboor van Lautenschläger, ca. 1803 (afbeelding 5) Deze boor werd aangedreven door met de hand aan de slinger te draaien. Daarmee zette je de inwendige opeenvolgende tandwieltjes in werking. Aan het laatste, kleinste tandwieltje zat de boor vast. Met deze boor kon de practicus in wortelresten boren om er vervolgens een schroef in te draaien en daarmee de resten te extraheren.
- Wortelboor van Linderer, ca. 1805 (afbeelding 6) Linderer heeft in 1797 een ontwerp op papier gezet voor een boor, waarmee hij in wortelresten zou kunnen boren. Rond 1805 ontwikkelde hij de wortelboor. In 1834 schreef Linderer in zijn eigen boek, “Lehre von den gesammten Zahnoperationen”, een beschrijving over dit instrument. Dit instrument werd gebruikt voor het voorbereidend werk voor de extractie van wortelresten en voor het prepareren in het wortelkanaal voor een stifttand.
- Porte-foret van Maury, 1830 (afbeelding 7) Ook deze boormachine werd gebruikt om wortelresten te prepareren voor extractie en voor een stifttand. Deze boormachine bestaat uit twee platen met daartussen twee snaarwieltjes. Deze twee snaarwieltjes zijn met elkaar verbonden d.m.v. een doorlopende zijdedraad, waardoor ze elkaar aandrijven. Het bovenste snaarwieltje bevat een opening in het midden, waar een kokertje in is geplaatst, waar vervolgens het boortje in vastgezet kan worden. Het onderste snaarwieltje ligt bij het handvat en daaraan zit het derde snaarwieltje, dat buiten de twee platen steekt, bevestigd. Het buitenste snaarwieltje kan m.b.v. een darmsnaar aangedreven worden en daardoor gaat het onderste, binnenste snaarwieltje draaien. Het bovenste snaarwieltje wordt nu dus ook aangedreven en daarmee de boor.
- Eggbeater drill van Lewis, 1838 (afbeelding 8) Dit was de eerst gepatenteerde boormachine. Met deze boor kon in alle richtingen geboord worden. Dit kwam door het kogelscharnier waarin de boor bevestigd werd. De boormachine moest nog wel met twee handen bediend worden. Aan de kopse kant zat net als bij de Porte Ecarissoir een slinger, waarmee het mechanisme aangedreven werd.
- Ash drilling engine van MacDowell en Maynard, jaren 1840/1850 (afbeeldingen 10 en 9) Ook dit zijn eenvoudige boormachines. De boormachine van Maynard kan met één hand bediend worden. Door het open en dichtknijpen van de hendel gaat de boor draaien. Het voordeel daarvan is dat de practicus de andere hand vrij heeft voor andere handelingen. Een nadeel zou kunnen zijn dat de practicus twee bewegingen met één hand moet maken, zowel knijpen als op de juiste locatie boren. De nauwkeurigheid van het boren komt hierbij neer op de kundigheid van de practicus. Ook is het vermoeiend voor de hand, waarmee je boort. Tijdens de teruggaande beweging van de hendel draait de boor niet in de werkende richting. De helft van de bewegingen is niet actief. De boormachine van MacDowell moest met twee handen bediend worden. Met de ene hand werd de boor vastgehouden en met de andere een voor- achterwaartse beweging gemaakt met het daarvoor bestemde handvat (afbeelding 10). Bij de voor- achterwaartse beweging gaat het handvat langs een schroefdraad, die hiermee aangedreven wordt. Ook bij deze boor geldt dat bij een teruggaande beweging het boortje niet in de werkende richting draait. Ook voor deze boor geldt dat er veel beweging is en daarmee komt de nauwkeurigheid van het boren neer op de kundigheid van de practicus.
- Handboor met steunring van Westcott, 1846 (afbeelding 11) Dit is de meest eenvoudige boor. De boor zelf bestaat uit een lange achthoekige schacht die met de vingers wordt gedraaid. Om extra steun en kracht te krijgen werd er een ring aan de wijsvinger geschoven met daaraan een uitstekend deel met een kommetje, waarin de schacht kon rusten. De boor draait langzaam en is vermoeiend voor de vingers.
- Drill-stocks van Chevalier en Merry, 1858 (afbeelding 13 en 14) Ash Company ontwikkelde een boor (afbeelding 12), waarbij met twee handen werd gewerkt. Met de ene hand hield de practicus de boor op de juiste locatie en met de andere hand draaide hij aan het tweede handvat, waarmee indirect de boor werd aangedraaid. Het tweede handvat moest onder een minimale hoek gehouden worden om het mechanisme, een cardanische koppeling, rond te kunnen draaien. Daaruit ontwikkelde Merry zijn handboor. Hierbij werd het mechanisme van Ash Company omgezet in een veer. Dit heeft als groot voordeel dat het tweede handvat onder een kleinere hoek in de mond gebracht kon worden. Dit heeft te maken met de draaihoek van het mechanisme van Ash Company. Het principe van de boor van Chevalier is bijna gelijk aan de Porte Ecarissoir van Jourdain, alleen zit hierbij de slinger niet aan de kopse kant, maar halverwege de boormachine aan de zijkant. Bij al deze boren is er veel beweging en hangt er qua nauwkeurigheid veel af aan de kundigheid van de practicus.
- Erado van Harrington, 1871 (afbeelding 15) Qua uiterlijk is dit een heel fraaie uitvinding. De naam is afkomstig uit het Latijn en betekent: ‘ik krab uit’. De machine werd voorzien van een fraai versierde zilveren omhulsel. Aan de binnenkant zit het mechanisme van een speeldoosje of een uurwerk. Met het vleugeltje wordt de erado opgewonden en dan draait de boor ongeveer twee minuten. In de literatuur staat beschreven dat de erado gedurende de twee minuten steeds langzamer gaat draaien, wat duidt op het ontbreken van een snelheidsregelaar. De snelheidsregelaar werd in die tijd al wel gebruikt voor speeldozen. Deze zorgt ervoor dat de veer van het mechanisme met een constante snelheid ontspant. Een ander nadeel waren de kosten van de erado. De erado is nooit in productie genomen, omdat de uitvinding tegelijk kwam met het patent en bekendheid van de trapboor, die wel in productie werd genomen. Dit kwam doordat de voordelen van de trapboor groter waren dan die van de erado.
- Elektrische boor van Green, 1872 (afbeelding 16 en 17) Dit was de meest eenvoudige elektrische motor. De elektrische motor bestaat uit een U-vormige magneet waartussen een anker is geplaatst. Het wisselen van de lading van het anker, waardoor deze gaat draaien, kost energie. Die energie kreeg deze boor van een batterij. Dit is de aandrijving voor het boortje. De lengte van de machine is ongeveer 20 centimeter en de breedte heeft een omvang van ongeveer 7.5 centimeter. Nadelen van deze boor zijn het gewicht, de grootte, de snelheid is niet continue en de batterij raakt leeg en moet worden vervangen. Het voordeel van deze boor was dat de motor en het hoekstuk zonder tussenstuk waren verbonden. Vanaf dit moment wordt er meer gezocht naar boormachines, die elektrisch worden aangedreven.
- Elektromotor van firma S.S. White, 1887 (afbeelding 18) Deze machine is gemaakt op basis van de motor van een naaimachine. Deze machine is de basis voor de huidige elektrisch aangedreven boor. In de loop der jaren hebben er verschillende veranderingen plaatsgevonden zoals de snelheid, grootte en zwaarte. Ook het uiterlijk en de bewegingsmogelijkheden hebben verschillende varianten gekend. Een van de nieuwe vindingen was het voetpedaal om de boor de starten. In 1897 werd de motor voorzien van een metalen kapsel ter bescherming. Zo heeft de motor een periode aan de muur gehangen in de praktijk en kwamen er op een gegeven moment hele units op de markt. Daarmee was de producent ‘Ritter’ de eerste.
Voordelen van de elektromotor waren de grotere snelheid, de continuïteit van de kracht, het gebruik van één hand en de aandrijving door een motor. Hierdoor kon de practicus nauwkeurig werken en raakte hij minder snel vermoeid in vergelijking tot de niet elektrisch aangedreven instrumentaria. De elektromotor kon al hoge snelheden bereiken, zoals 10.000 rpm., maar door gebrek aan techniek in de hoekstukken en de koeling was dit in de praktijk nog niet haalbaar. De eerste elektromotoren werkten daarom met een snelheid van 2.000 rpm. Door de huidige bouw van de hoekstukken en het toepassen van waterkoeling kan de elektromotor al 200.000 rpm. halen.
- Airotor van John Victor Borden, 1957 Deze boormachine is gebaseerd op het principe van andere machines aangedreven door lucht en water. Al eerder in de ontwikkeling van het roterend instrumentarium zijn er pogingen gedaan tot het ontwikkelen van een boormachine aangedreven door lucht en water. In 1948 had Ivar Nolén een luchtboor ontwikkeld, die 80 liter per minuut verbruikte om een snelheid van 140.000 rpm. te bereiken. Met dat toerental was koeling nodig, maar dat was in die periode nog niet mogelijk. Tot de komst van de airotor waren de technieken niet toepasbaar in de praktijk. Eigenlijk ontdekte Borden per toeval de toepasbaarheid van een boormachine aangedreven door lucht. Hij blies lucht door een watergekoeld hoekstuk voor de elektromotor om die te reinigen en hij ontdekte daarmee dat perslucht in combinatie met water de aandrijving kon leveren voor dit hoekstuk. Met dit hoekstuk konden snelheden bereikt worden tot 300.000 rpm. Nadelen van deze boormachine zijn geen continue kracht, grote productie van geluid, hoge onderhoudskosten en er is een aparte compressor nodig, die de lucht en het water door de slang naar het hoekstuk perst.
Discussie en conclusie
Door het beschrijven van de instrumenten en deze in chronologische volgorde te plaatsen hebben wij ons inziens een duidelijk inzicht gegeven in de ontwikkeling van het roterend instrumentarium. Daarmee hebben wij een antwoord gegeven op onze vraagstelling: ‘op welke manier en voor welk soort behandelingen werden de in de loop van de tijd veranderende roterende instrumenten gebruikt door de practicus?’.
Er blijkt weinig interesse te zijn binnen de tandheelkunde naar de technische kant van de instrumenten. Dit blijkt zowel uit het literatuuronderzoek als ook uit de interviews. Heden ten dage wordt hieraan in de opleiding tandheelkunde nog altijd weinig aandacht besteed. Eind 19e eeuw, begin 20e eeuw breidde de restauratieve tandheelkunde zich uit. Voordien had men daarvoor de middelen en kennis nog niet. Toen die middelen en kennis er waren, hadden in het begin maar weinig mensen de financiële mogelijkheden een practicus te bezoeken.
Op het Internet zijn artikelen van ouder dan 40 jaar niet opgenomen. Daardoor hebben wij alleen artikelen gebruikt, die zelf historisch van aard zijn.
Ook blijkt dat er weinig gearchiveerd wordt betreffende de ontwikkeling van het roterend instrumentarium. Met de huidige communicatiemiddelen hadden wij verwacht meer informatie te kunnen vinden. Ook bij de UBU bleek de archivering niet optimaal. Daarbij bleek bovendien de zoekmachine niet op inhoud van de literatuur te kunnen zoeken. Daar ons onderzoek vaak een klein onderdeel is van een publicatie, is dat lastig zoeken.
Het lijkt dat er door onvolledige beschrijvingen informatie verloren is gegaan. Ook hebben musea veel van hun informatie in depots liggen. Een voorbeeld hiervan is de eerder genoemde bijzondere collectie van Kalman Klein. Op het Internet en in de UBU is niet te vinden wat de inhoud is van de Kalman Klein collectie. In de catalogus van de Kalman Klein collectie staan alleen titels genoemd. Hieruit kun je de inhoud daarvan niet goed bepalen. Met de huidige middelen hadden wij verwacht dat er meer duidelijkheid zou zijn omtrent de precieze inhoud van de collectie. Een goede archivering zorgt voor een betere toegankelijkheid van deze kwetsbare collectie. Het verdient aanbeveling hier een project van te maken.
Samenvattend concluderen wij dat er weinig informatie beschikbaar is over de ontwikkeling van het roterend instrumentarium binnen de tandheelkunde. Wij hebben een chronologische volgorde en een korte en duidelijke beschrijving gegeven van de roterende instrumenten.
Verder hebben wij aanbevelingen tot een onderzoek gedaan van de volgende onderwerpen:
- de ontwikkeling van de boortjes,
- het inventariseren van de Kalman Klein collectie en
- een vergelijkend onderzoek naar de werking van de airotor met de elektromotor.
Dankwoord
De informatie voor ons onderzoek was lastig te verkrijgen en daarom hebben wij verschillende personen en instanties benaderd ons te helpen met het vinden daarvan. Bij deze willen wij hen hartelijk bedanken;
Dhr. Van Ginhoven
Dhr. Mooijman
Mevr. Niessen
Dhr. Oertel
Dhr. Van Putten
Dhr. Terra
Dhr. Theissen
Dental Union
Gebr. Brasseler
NMT
Literatuurlijst
1. Bleicher, P.: Begründung und Ursachen für die Verwendung von “Mikromotoren” in der zahnärztlichen Praxis. Sonderdruck aus Der Freie Zahnarzt, 1 – 12, 1971/1972
2. Bleicher, P.: Erfahrungen mit dem Mikromotor in der zahnärztliche Praxis. Electromedica, 4: 125 – 129, 1972
3. Dyson, J.E., Darvell, B.W.: The development of the dental high-speed air turbine handpiece. Part 1. Australian Dental Journal, 38(1):49-58, 1993.
4. Eichner, K.: Hoch- und höchsttouriges Bohren und Schleifen. Poliklinik und Klinik für Zahn- Mund- und Kieferkrankheiten der Freien Universität Berlin, 20 – 45, Oktober 1966
5. Glenner, R.A.: Development of the dental drill. JADA, Vol. 88: p.712-727, 1974.
6. Hoffmann-Axthelm, W.: Die Geschichte der Zahnheilkunde. Die Quintessenz, Berlijn, 1973, p.287-300.
7. Holtkamp, P.: Die Entwicklung der Bohrmaschine. Die Quintessenz der Zahntechnik, 5: 507-509, 1981
8. Lässig, H.E., Müller, R.A.: Die Zahnheilkunde in Kunst- und Kulturgeschichte. DuMont Buchverlag, Keulen, 1983,p.90-146.
9. Linderer, C.J.: Lehre von den gesammten Zahnoperationen, nach den besten Quellen und eigener vierzigjähriger Erfahrung. Berlijn, 1834, p.93-101 + tafel I
10. Maar, F.E.R. de: De geschiedenis van de tandboor. Stichting Exkies, Zoetermeer, 1985
11. Maury, J.C.F.: Handbuch für Zahnärtze. Lübeck, 1825, p.74-75 + tafel IV
12. Maury, J.C.F.: Vollständiges Handbuch der Zahnheilkunde.Weimar, 1830, p.362-363
13. Mayer, A.: Ist die Turbine bwz. Die Drehzahl von 200.000 – 400.000 UPM heute űberholt?. Zahnärztliche Mitteilungen, 23 : 1216 – 1219, 1970
14. Prinz, H.: Dental Chronology, A record of the more important historic events in the evolution of dentistry. Lea&Febiger, Philadelphia, 1945
15. Stephens, R.R.: The dental handpiece - a history of its development. Australian Dental Journal, 31:3: 165-180, 1986.
16. Strömgren, H.L.: Die Zahnheilkunde im neunzehnten Jahrhundert. Ejnar Munksgaard, Kopenhagen, 1945, p.70-96.
17. Vinski I.: Two Hundred and Fifty Years of Rotary Instruments in Dentistry. British Dental Journal, 3: 217-223, 1979
18. Wiggen, G. J., van: In meer eerbare banen: de ontwikkeling van het tandheelkundig beroep in Nederland van 1865-1940. Rodopi, Amsterdam, 1987.
19. Wiggen, G. J., van: Bibliography of the Kalman Klein library : a reference index to the dental literature in the Museum of the School of Dentistry, University of Utrecht, The Netherlands. 1988
Herkomst afbeeldingen
Afb. 9 en 12: Eric Minnaard, voorwerpen bevinden zich in het Universiteitsmuseum Utrecht.
Afb. 1, 3 en 18: 5
Afb. 2, 5, 6, 8 en 17: 6
Afb. 7, 13, 14 en 15: 16
Afb. 10: 8
Afb. 4 en 11: 10
Afb. 16:
terug