De hersenschedelleer volgens Gall
Pieter de Riemer (1769-1831) was vooral geïnteresseerd in de vorm van de schedels van deze misdadigers om te zien of er verband bestond tussen de schedelvorm en de eigenschappen van de persoon. Hij had kennisgenomen van de theorie die de Duitser Franz Joseph Gall (1758-1828) had ontwikkeld en vroeg zich af of die klopte. Gall beschouwde de hersenen als een verzameling afzonderlijke organen die staan voor emoties, karaktereigenschappen en intelligentie, elk op hun eigen plaats in de hersenen. Omdat de schedel bij kinderen nog in de groei is, neemt het de vorm aan van de groeiende hersenen. De schedelvorm zegt daarom iets over het karakter en de intelligentie van de persoon. Het begrip talenknobbel komt daarvandaan. Zo wilde Gall op een wetenschappelijke manier het verband verklaren tussen de vorm van de schedel en het menselijk gedrag, de "hersenschedelleer". Hoewel Gall een uitstekend anatoom was en veel publiciteit trok met zijn opvattingen, bleef wetenschappelijke waardering uit en stierf zijn theorie een zachte dood.
De theorie getoetst
Rond 1800 maakte de hersenschedelleer van Gall opgang in Europa. De Riemer werd hierdoor geïnspireerd en verzamelde schedels van mensen van wie hij bij benadering wist of ze bij leven al dan niet intelligent, misdadig of krankzinnig waren, om ze daarna te toetsen aan de - omstreden - theorie van Gall. In 1806 bracht Gall een bezoek aan De Riemer en wees twee schedels uit diens collectie aan als exemplaren van misdadigers. Helaas, ze waren met zekerheid afkomstig van normale mensen. In het bijzijn van hooggeleerde getuigen werd Gall op zijn misvatting gewezen.
De Bende Zwartjesgoed
In de catalogus van zijn collectie heeft De Riemer schedels van vier leden van de beruchte Bende Zwartjesgoed beschreven. Drie van deze schedels zijn nu in bezit van het Universiteitsmuseum. De vierde schedel is in het kabinet van Gerardus Vrolik te Amsterdam terechtgekomen, maar is helaas verloren gegaan. Wat was de Bende Zwartjesgoed?
Van 1798 tot 1806 hield de Bende Zwartjesgoed zich onledig met diefstal, moord en roofmoord in het Westen van Nederland tot aan de Veluwe. De bende bestond uit zo'n achttien leden, waaronder opmerkelijk veel vrouwen. Vanwege de donkere huidskleur van de leden werden ze Zwartjesgoed, ook wel Zwartjesvolk, genoemd. Ze waren van heidense afkomst en scharrelden de kost bij elkaar als bedelaar, scharenslijper of liedjesverkoper. Onder elkaar spraken ze Romisceers, een term die waarschijnlijk van het woord Roma, zigeuner, afstamt. Men beschouwde hen daarom als zigeuners.
Schedels met een naam
Het jongste bendelid van wie de schedel bewaard is gebleven was Johannes Pieter Matthijs van den Bos, bijgenaamd Nolletjes Jan, 24 jaar, geboren in Oude Tonge en scharenslijper sinds zijn 14e. Hij sloot zich in 1798 aan bij de Bende Zwartjesgoed. Dan was er Johannes Baptist, vroeger genoemd Johan Joseph en bijgenaamd Hannes de Grootoog, 37 jaar, geboren in Amsterdam. Hij verdiende de kost met bedelen en het vertonen van een kijkkast.
Al in 1788 was Baptist met justitie in aanraking geweest wegens plundering en diefstal. Johan Christiaan Hersberg, bijgenaamd Jan Hanneke, was bij zijn veroordeling 38 jaar. Hij was geboren in Hamburg en verdiende de kost met scharenslijpen en ketellappen. Vanaf zijn 20ste verbleef hij in Groningen en Friesland. Hij werd in 1797 lid van de Bende Zwartjesgoed.
Roof en moord
De Bende Zwartjesgoed heeft een spoor van roof en moord door Nederland getrokken. Twee inbraken zorgden er uiteindelijk voor dat de bende voorgoed in handen van justitie viel. Op 11 december 1804 bracht bendelid Himmelgarden een bezoek aan een boer in Bodegraven. Hij kende deze boer en gaf zich uit voor breuksnijder om het zoontje van de boer te genezen. Himmelgarden bleef logeren en die nacht zette hij een inbraak in scène door de sluiting van een raam te vernielen. Hij griste stoffen en kleren bijelkaar en overhandigde ze door het raam aan zijn handlangers die buiten wachtten. De volgende morgen ontdekte de vrouw des huizes de diefstal en waarschuwde Himmelgarden, die zich buitengewoon hulpvaardig opstelde. Later op die ochtend vertrok hij. Maar alles bij elkaar zat er toch een luchtje aan en Himmelgarden kwam bij de baljuw van Woerden onder verdenking te staan.
Enkele maanden later werd de Bende Zwartjesgoed definitief opgerold. Dezelfde Himmelgarden pleegde met zes handlangers een inbraak in een boerenwoning in Alphen aan de Rijn. De buit bestond uit goud, zilver, kleren en geld. De bendeleden werden in Rotterdam en Oudewater aangehouden en in tijdelijke hechtenis genomen. Ze kwamen echter snel vrij, omdat een vrouwelijke bendelid hen de hand boven het hoofd hield. Maar na een paar weken werden ze toch weer gearresteerd en na verhoren kwam de omvang van hun misdrijven aan het licht.
Alle leden legden een bekentenis af, soms na langdurig vooronderzoek en op grond van getuigenverklaringen, confrontatie met bebloede kleren en andere voorwerpen en van bekentenissen van eerder gevangengenomen leden. Een raadsman hadden ze niet, ook niet tijdens de rechtszitting.
Op 31 januari 1806 werden de leden van de Bende Zwartjesgoed berecht voor hun misdaden. Zo ook Johannes van den Bos, Johan Hersberg en Johannes Baptist, van wie de schedels bewaard zijn gebleven en nu in het Universiteitsmuseum Groningen tentoongesteld zijn. De straf bestond uit radbraken op een kruis totdat de dood erop volgde.
Bronnen
"Avondblad De Ster" no. 1 (11 mrt. 1806) - no. 40 (10 juni 1806): diverse krantenartikelen.
J.G. Rohloff, Amsterdam
"Aanspraak van Mr. Abram Jaques la Pierre". Weduwe J. de Groot, Den Haag 1806
Pieter de Riemer, "Beredeneerde beschrijving van het Museum Anatomico – Physiologicum".
De weduwe J. Allart, Rotterdam 1831
H.G. Bolognino, "Den Gheestelijcken Leeuwercker". Antwerpen, 1645
(de meest aannemelijke melodie bij de liederen over de bende Zwartjesgoed,
afgeleid van het lied van Biron, na 1602)
H. Stalpaert, "Het liedeken van Biron" (Vlaams historisch volkslied na 1602). Biekorf, Westvlaams archief voor geschiedenis, oudheidkunde en folklore, Jrg. 58/11
J.G.M. Moormann, "Jan H. Himmelgarten en het Zwartjesgoed”, in : "Neerlands Volksleven" 6: 13 – 26 (1955/’56)
Prof. dr. D. Wiersma, "Moord en sensatie in de negentiende eeuw". A.W. Sijthoff, Leiden 1969
Matthijs Conradi, "Franz Joseph Gall in Nederland", in: "De Psycholoog", juli/augustus 1995
Dr. T.W. van Heiningen, "De receptie van de hersen-schedelleer van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800", in : "Gewina" 20 (1997) 113 - 128
John Le Grand, "Museumgids Anatomisch Museum", tweede druk. Groningen 2001
Afgebeelde tekeningen afkomstig uit het Haags Gemeentearchief