Publicaties en preparaten.
Van den Broek was in Arnhem actief lid van verscheidene geleerde genootschappen, waaronder het Natuurkundig Genootschap Tot Nut en Vergenoegen. Hij gaf lezingen en demonstraties over onderwerpen als electriciteit, gezicht, geluid en het gehoor.
In 1842 publiceerde Van den Broek een eerste artikel over het menselijk oor, met de titel: Iets over de schuinsche plaatsing van het Trommelvlies en over de mechanische werking der Gehoorbeentjes bij het hooren.
Het genootschap besloot in 1843 het tijdschrift met de titel Natuurkunde te gaan uitgeven. Van den Broek presenteerde hierin drie artikelen. Eén artikel ging over de camera obscura. Een tweede artikel had als onderwerp het conserveren van het menselijk hoofd. Het derde artikel over het gehoor heeft de titel: Verklaring van het nut der waterleidingen van Cotugni. Dit was een verhandeling over het kanaaltje tussen het slakkenhuis en het evenwichtsorgaan, de ‘aqueductus vestibuli’ (1844).
Van den Broek ontwikkelde ook een kunstoor, 500 keer groter dan een echt oor.
Over het gehoor en de werking daarvan bestonden toen slechts twee ter zake doende publicaties: de boeken van Duverney te Leiden uit 1750 en een werk van Schröter, in 1828 vertaald door prof. Gerbrand Bakker. Vooral het gemis aan duidelijke illustraties vormde voor Van den Broek een stimulans het gehoor uitgebreid te onderzoeken.
Ten einde eenen eenigzins zekeren weg in te slaan, ben ik begonnen het gehoorwerktuig in alle mogelijk rigtingen te onderzoeken en te ontleden. Hierdoor verkreeg ik eene menigte praeparaten, waarvan ik, zooveel dit voegzaam geschieden konde, diegene in volgorde op steen heb gebragt, welke mij daartoe het geschikst voorkwamen, waardoor een achttiental platen is ontstaan (Voorwoord Van den Broek, 1852).
Van den Broek prepareerde in zijn vrije tijd 300 schedels en lithografeerde alle platen voor zijn boek zelf. Dit was de reden waarom hij er vijftien jaar over deed.
De steendrukken zijn exact en zeer gedetailleerd uitgevoerd.
Ik heb die platen zelf gelithographieerd, om zoveel mij mogelijk was afbeeldingen te leveren, die de natuur tamelijk getrouw in teekening teruggaven.
Meer dan driehonderd koppen heb ik tot dit einde onderzocht. De praeparaten daaruit ontstaan zijn tegenwoordig in het Kabinet van Natuurlijke Historie te Groningen voorhanden (Voorwoord Van den Broek, 1852).
Het boek is door zijn overhaaste vertrek naar Nederlands-Indië niet afgekomen. Van den Broek solliciteerde op 11 februari 1852 naar de betrekking van gouvernements- geneesheer en vertrok, geheel onverwacht voor zijn vrienden, naar Indië. Hij werd aangenomen door zijn uitstekende referenties.
Eredoctoraat
Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid heeft Van den Broek zijn materiaal van de anatomische afdeling in Groningen verkregen. Het schenken van anatomisch materiaal voor wetenschappelijk onderzoek is tegenwoordig geen probleem, maar was destijds met geheimzinnigheid omgeven. Dit blijkt uit het vervolg van het voorwoord van Van den Broek:
Ik reken het van mijnen pligt die Heeren openlijk mijnen dank te betuigen, die mij wel behulpzaam wilden zijn in het verkrijgen van de voorwerpen tot mijn onderzoek volstrekt noodzakelijk. Ik noem hier hunne namen niet, omdat de publieke opinie bij ons te lande zulk eene hulp als heiligschennis aanziet, en ik hen, geheel tegen mijne bedoeling, in het oog van velen veeleer in een ongunstig, dan in een gunstig licht zoude plaatsen. Te wenschen is het, dat door de hooge Regering maatregelen beraamd worden, waardoor de Genees- en Heelkundigen meer in de gelegenheid gesteld worden om te kunnen ontleden; daardoor zullen de wetenschap en de menschheid winnen. Onderzoek, en herhaald onderzoek alleen, kan tot vooruitgang leiden (Voorwoord Van den Broek, 1852).
Vlak voordat hij naar Oost-Indië afreisde ontving Van den Broek op 20 mei 1852 in Groningen een eredoctoraat voor zijn verdiensten, uit handen van Prof. Claas Mulder, destijds hoogleraar in de natuurlijke geschiedenis en vergelijkende ontleedkunde en directeur van het Museum van Natuurlijke Historie, die bij deze gelegenheid de volgende woorden sprak:
Ik heb de eer gehad, in mijne hoedanigheid van leraar in de vergelijkende ontleedkunde enz., van Ued. (aanspreekvorm voor U edele) te ontvangen eene verzameling van meer dan 100 anatomische praeparaten, bijna alle betrekking hebbende tot het werktuig des gehoors van den mensch. Deze verzameling is grootmoediglijk ten geschenke door Ued. aangeboden, aan het museum der Groningsche Hoogeschool, onder mijne directie staande. Ik breng Ued. namens die instelling den warmsten dank toe voor de eer en onderscheiding aan onze Hoogeschool bewezen, door juist haar te kiezen om deze verzameling te bezitten en te bewaren. Ontvang de verzekering, dat wij zullen zorgen, dat uwe schoone praeparaten bijeen blijven en goed verzorgd worden. (…) (Moeshart, 2003).
De erfenis
Dat Van den Broek de geprepareerde gehoorbeentjes aan Groningen naliet, was dus een logische keuze. De litho’s die Van den Broek vervaardigde voor zijn boek lijken exact de werkelijke preparaten te spiegelen. Voor het anatomisch onderwijs was het boek van grote betekenis en indertijd op het gebied van de exploitatie van het gehoororgaan een grote stap voorwaarts. De erfenis van Jan Karel van den Broek biedt ons nog steeds veel leerzaams over een moeilijk toegankelijk orgaan.
Literatuur:
Broek, J.K. van den, ‘Iets over de schuinsche plaatsing van het Trommelvlies en over de mechanische werking der Gehoorbeentjes bij het hooren.’ in: Algemeene Konst- en Letterbode, Arnhem 18 februari 1842, no. 7, 106 – 109
Broek, J.K. van den, Ontleedkundige en Physiologische beschrijving van het werktuig des gehoors, Arnhem 1852, voorwoord.
Broek, J.K. van den, ‘Verklaring van het nut der waterleidingen van Cotugni’, in: Natuurkunde, 1e jg., 1844, 265 – 272
Moeshart, Herman J., Een miskend geneesheer Amsterdam 2003, 24-25