Wat hebben de Duitse dichter Friedrich Schiller en de Russische tsaar Nicolaas de Eerste met elkaar gemeen? Natuurlijk, ze leefden ongeveer in dezelfde tijd. Al was de tsaar pas elf jaar toen de dichter overleed. En ze behoorden allebei tot de high society. Maar er is nog een overeenkomst: afgegoten in gips liggen de gezichten van beide prominenten te kijk in het Vrolikdepot.
Het gipsafgietsel van Schiller is een dodenmasker van - helaas - onbekende herkomst. Over het trotse tsarengelaat weten we meer. Net als een dozijn andere gipsmaskers werd dat door collectioneur Willem Vrolik aangeschaft bij de Duitse beeldhouwer-gipsgieter Von Launitz, destijds residerend in Frankfurt am Main. Nicolaas de Eerste (1796-1855) was de overgrootvader van Nicolaas de Tweede, de laatste Russische tsaar. De volksopstanden tegen de absolute heerschappij, die zijn achterkleinzoon uiteindelijk fataal zouden worden, wist Nicolaas I nog te onderdrukken.
Wat moest Willem Vrolik met die illustere gezichten? Hij verwelkomde ze als waardevolle toevoegingen aan zijn antropologische collectie, een collectie die voor het leeuwendeel bestond uit schedels van uiteenlopende etnische herkomst. Want Vroliks antropologische aandacht ging vóór alles uit naar schedelkenmerken. Uit voorhoofdshoogte, breedte van jukbeenderen plus kaken en puntigheid van de kin trok hij vergaande conclusies. In navolging van de Duitse anatoom Johann Friedrich Blumenbach (1752-1840) meende Vrolik dat fysieke verschillen tussen de volkeren te maken moesten hebben met omgevingsfactoren. Die lieten onvermijdelijk hun sporen na op gezicht en schedel. Het grimmige klimaat, het zware werk - aan de kop van een Viking of een Russische soldaat kon je het allemaal aflezen.
Al schedelmetend kwam hij tot het inzicht dat er in Europa vier bevolkingsgroepen te onderscheiden waren: de Keltische, Germaanse, Slavische en Pelasgische. Tot de laatste groep rekende hij alle bewoners van het oostelijk deel van het Middellandse-Zeegebied, inclusief de Italianen. Over de Germanen schreef hij dat ze ‘vrolijk en intelligent’ zouden zijn, met een groot rond hoofd en een korte hals. ‘Het zijn moedige mensen die doorstrijden tot ze erbij neer vallen’. De Slavische volkeren beschouwde hij als ‘dapper en ondernemend’, zij het getekend door een merkaardige combinatie van ruwheid en beschaving. Binnen die Slavische volkeren gingen de Russen, meende Vrolik, aan kop als ‘een verheven volk met een belangrijke rol in de Europese beschaving’.
Niet alle genoemde trekken kon hij nauwkeurig aan de schedels aflezen. Vandaar de gipsmaskers, die als extra bewijsmateriaal moesten dienen. Want was er een betere manier om de Germaanse en Slavische deugden te illustreren dan aan de trotse koppen van Nicolaas I en Friedrich Schiller?
Er klopt natuurlijk geen barst van, dat je door naar schedels of naar gelaatstrekken te kijken, zou snappen hoe een volk zich gedraagt. Ook Vrolik had zijn twijfels kunnen hebben. Een beetje speurwerk had hem geleerd dat Nicolaas I van een adellijk Duits geslacht afstamde en dus niet minder Germaans was dan Friedrich Schiller. (In werkelijkheid is de hele Europese bevolking trouwens één grote hutspot.) Maar dan waren we wel een mooie theorie en een curieus deel van de museumverzameling misgelopen.