Knekelhuis wordt het wel genoemd, het depot van Museum Vrolik. De bezoeker treft er schappen vol met botjes op sierlijke zwartgelakte standaarden. Elk denkbaar menselijk bot is vertegenwoordigd, en allemaal zijn ze voorzien van keurig etiketjes met informatie over de aard en het jaar van verwerving.
Hier en daar is zo’n jaartal in kriebelhandschrift op het bot zelf geschreven. Dat kriebelhandschrift is van Max Fürbringer, tussen 1879 en 1888 hoogleraar Ontleedkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Veel systeem lijkt er in Fürbringers deel van de collectie niet te zitten. Onderkaken, sleutel- en borstbeenderen - allemaal vrij lukraak bijeengebracht, zou je zeggen. Maar dat is hoogstens de halve waarheid.
Bij zijn komst in Amsterdam had de van oorsprong Duitse Fürbringer nogal beperkte onderwijsfaciliteiten aangetroffen. De anatomische verzameling waarmee hij les moest geven, bestond voor het overgrote deel uit de vroeg negentiende-eeuwse preparaten van vader en zoon Vrolik. Een prachtcollectie, daar niet van, barstensvol uitzonderlijke aangeboren afwijkingen en organen van zeldzame dieren. Maar ‘gewone’ anatomische preparaten zaten er nauwelijks tussen. Nieren en bijnieren, armen en benen, Fübringer miste ze jammerlijk. Net als gewone botten: losse ellepijpen en ribben, dijbeenderen en kaken, tong- en traanbeentjes.
Wat er niet is moet er komen, besloot de hoogleraar, en hij zette zich aan het verzamelen. Talloze overblijfselen van snijpractica werden uitgekookt of door de welwillende tussenkomst van insecten kaalgevreten, waarna Fübringer toezag op het bleken, lakken en eventueel op standaardjes zetten.
Al die botten waren nadrukkelijk niet bedoeld als showmateriaal voor de vitrinekast. Ze moesten van alle kanten bekeken en betast kunnen worden. Op de snijzaal bijvoorbeeld, en bij het practicum osteologie (‘beenderenleer’ in goed Nederlands).
Daarom verzekerde Fürbringer zich ervan dat hij van elk specimen meerdere exemplaren in bezit kreeg. Een wijze beslissing, want alleen al op de snijzaal moesten gemiddeld tachtig studenten onder de duim worden gehouden. Volgens de annalen gaf de hoogleraar veertig uur practicum, bovenop zijn zes college-uren. De vervaardiging van preparaten zal hij goeddeels aan zijn twee practicum-assistenten hebben overgelaten.
Zelf hield Fürbringer wel de catalogus van zijn verzameling bij. Een haastklus voor in de avonduren, naar alle waarschijnlijkheid. Dat zou het ongeordende karakter verklaren: meer dan een inventarislijst kon hij er eigenlijk niet van te maken.
In de zomer van 1888 verruilde de werklustige anatoom Amsterdam voor een hoogleraarsaanstelling in het Duitse Jena. Wat rest ons nog van zijn verblijf in ons polderland? De botjes natuurlijk, al zijn er daar helaas niet zo heel veel meer van over. Maar naast alle onderwijsdrukte blijkt Fürbringer warempel nog tijd te hebben gehad voor wetenschappelijk onderzoek. Zeer goed onderzoek zelfs. In Amsterdam bestudeerde deze workaholic de bouw van honderden vogels. Zijn bevindingen publiceerde hij in twee enorm dikke boeken, en de vogel-categorisering die hij daarin voorstelde, heeft de tand des tijds grotendeels doorstaan. Zo is het inzicht dat eenden, futen en meerkoeten geenszins verwant zijn, ook al kunnen ze alle drie zwemmen, regelrecht afkomstig van de Duitse botjesverzamelaar. Dat is nog eens een leuk weetje voor de komende meimaand.